Zeefdrukken: een techniek opzich

Andy Warhol werd er bekend mee in de jaren 50 en 60, maar de techniek van zeefdrukken bestaat al veel langer. De geschiedenis neemt ons mee terug naar zowel de 17e als de 18e eeuw. Men maakt vandaag de dag nog steeds veel gebruik van deze techniek.

Geschiedenis
Japanners Yuzensai Miyasaki (1654-1736) en Zisukeo Hirose (1822-1890) worden beschouwd als de uitvinders van de zeefdruktechniek. Zij vervingen de brede verbindingen van het sjabloonmateriaal in sjabloondruk met haar en/of zijde waardoor dit een veel meer verfijnde druk opleverde. Deze sjablonen werden toentertijd voornamelijk gebruikt in textiel. Alleen elitaire mensen mochten van de keizer kleding dragen, gemaakt met behulp van deze techniek.

Het eerste patent op zeefdruk is echter pas tientallen jaren later gegeven. De Engelse Samuel Simon krijgt in 1907 patent hierop. Men ging op kleine schaal zeefdrukken. Pas later, vanaf de jaren 50, komt er een vaart in deze techniek door kunstenaar Andy Warhol. Hij gebruikte deze techniek om bekende personen en producten te portretteren. Hiermee maakte hij gelijk een statement over massaproductie. Met zeefdrukken kun je namelijk binnen korte tijd veel dezelfde producten maken.

De techniek
Maar hoe werkt dat nou precies, zeefdrukken? De basis van zeefdrukken is doordruk. Een stuk gaas wordt over een soort raamwerk gespannen. Op dit gaas zit een soort mal, dat uiteindelijk de afbeelding op een product moet drukken. Hier wordt de inkt doorheen gedrukt. Zo wordt de afbeelding afgedrukt op een product naar keuze.

Deze techniek kan zo vaak als je wilt worden herhaald, dat is de essentie van zeefdrukken. Je moet wel goed kijken op wat voor een stof je het laat drukken. Ook heb je verschillende soorten inkt. Zeefdrukken wordt vandaag de dag voornamelijk gedaan voor grafische doeleinden, zoals het bedrukken van textiel of affiches.

Vlakdruk

Vlakdruk is één van de meest oorspronkelijke manieren van drukken. De naam geeft aan dat er, op de beeldoverbrenger, geen (of amper een) verschil is in hoogte tussen bedrukte en niet-bedrukte delen, geïnkte en niet-geïnkte delen. Om drukwerk in deze samenstelling toch nog mogelijk te maken, maakt de vlakdruktechniek verder gebruik van het fysisch principe dat water en vet elkaar afstoten.

Hoe werkt vlakdruk?

Bij vlakdruk wordt de drukplaat eerst bevochtigd. Aangezien het te drukken beeld op deze plaat een zeer gladde oppervlakte heeft, stoot deze het water af. Het omgekeerde gebeurt met het niet te bedrukken deel, dat eerder aanvoelt als fijn schuurpapier. Vervolgens wordt de plaat geïnkt. Hierbij zal het waterachtige, niet te bedrukken deel de vettige inkt afstoten; terwijl het droge, te bedrukken deel de inkt net aantrekt.

Lithografie

Er worden twee types van vlakdruk onderscheiden: de lithografie en de offsetdruk. Het eerste principe dankt zijn naam aan de Grieken. Die is afgeleid van de woorden ‘lithos’ (steen) en ‘grafein’ (tekenen). Lithografie is dus samen te vatten als ‘steendruk’. Tegenwoordig is dit procédé uiteraard verouderd; maar het wordt wel nog gebruikt door kunstenaars met speciale doeleinden, in musea of bij gelegenheid.

Offset

In de grafische industrie wordt vlakdruk vandaag wel nog gebruikt voor het verwerken van drukwerken in (grotere) oplagen. Dat kan dan gaan over boeken, kranten, reclame, magazines, et cetera. Deze manier van drukken wordt aangeduid met de Engelse naam ‘offset’. Dat betekent zoveel als ‘transfereren’. Tijdens een offsetdruk wordt het drukbeeld dan ook meermaals getransfereerd: van de drukplaat, naar een rubberen deken, naar het drukoppervlak.

De offset techniek ontstaat aan het begin van de twintigste eeuw en groeit voort uit de lithografie. Zo patenteerde Robert Barclay in 1875 al het gebruik van blik in plaats van steen; waardoor tegelijk ook de rotatiepers kon ontstaan. Dankzij verdere ontwikkelingen in de fotografie werden niet veel later, zowat gelijktijdig in Duitsland en Amerika, de eerste offsetpersen ontwikkeld. Tot vandaag is ongeveer tweederde van alle drukwerk ter wereld offsetdruk.

Bron foto